Een bestuursstuk over cyberbeveiliging moet twee dingen uit elkaar houden: wat de wet verplicht, en wat u zelf verstandig vindt. Dat onderscheid vervaagt makkelijk, want een maatregel klinkt overtuigender als er een wet achter lijkt te staan.
Het vervaagt ook duur. Een bestuur dat een maatregel goedkeurt op een verplichting die niet bestaat, heeft een besluit genomen dat bij de eerste jurist die meeleest omvalt — en het neemt de maatregelen die er wél toe doen in zijn val mee.
Drie formuleringen, waarvan er twee onjuist zijn
Neem een willekeurige maatregel — het beperken van vindbare persoonsgegevens van bestuurders, bijvoorbeeld, omdat wij daar toevallig ons werk hebben. Drie manieren om dat in een bestuursstuk te zetten.
| Formulering | Wat er mis is |
|---|---|
| “De Cyberbeveiligingswet verplicht ons hiertoe.” | Onjuist. De wet noemt dit onderwerp niet. Dit is de formulering die het hele stuk ongeloofwaardig maakt zodra iemand het nakijkt. |
| “Dit is nodig om aan de wet te voldoen.” | Onjuist op een subtielere manier. Er zijn talloze invullingen van de zorgplicht waarin deze maatregel niet voorkomt. “Nodig” is niet waar te maken. |
| “Wij beoordelen dit risico als reëel voor onze organisatie en stellen deze maatregel voor als invulling van de zorgplicht.” | Juist. Het benoemt het risico, het benoemt uw oordeel, en het koppelt de maatregel aan de zorgplicht zonder te beweren dat de wet hem afdwingt. |
De derde formulering is niet zwakker dan de eerste. Zij is sterker, omdat zij overeind blijft. En zij is precies wat artikel 24 van het bestuur vraagt: een oordeel, onderbouwd genoeg om goed te keuren.
Waar dit vandaan komt
Artikel 21 en artikel 24 komen uit de geconsolideerde tekst van de Cyberbeveiligingswet op wetten.overheid.nl, versie geldend vanaf 15 augustus 2026, geraadpleegd op 16 augustus 2026. Dat de wet geen concrete maatregelen voorschrijft, is een lezing van artikel 21 Cyberbeveiligingswet en geen citaat. Stand van zaken op 16 augustus 2026.