Een verzoek om inzage of verwijdering wordt vaak beantwoord met een tegenvraag: stuurt u eerst een kopie van uw identiteitsbewijs. Dat mag soms. Wat er meestal bij wordt gesuggereerd — dat de wettelijke termijn zolang stilstaat — klopt niet.
Artikel 12 lid 6 zegt wanneer een partij om aanvullende gegevens mag vragen. Het zegt niets over het stilzetten van de klok.
Wat het niet doet met de termijn
De termijn van artikel 12 lid 3 gaat lopen bij ontvangst van het verzoek. Er is één manier om hem te verlengen: de verantwoordelijke informeert u binnen die eerste maand, met opgaaf van redenen, dat hij langer nodig heeft. Dat kan tot ten hoogste twee maanden extra.
Het opwerpen van een identificatie-eis is niet die manier. Er is geen bepaling die zegt dat de klok stilstaat zolang er wordt gewacht op een document, en een partij die dat schrijft, doet een mededeling over haar eigen proces en niet over de wet.
Praktisch: noteer de datum van uw verzoek en reken vanaf dáár. Wat er tussendoor aan tegenvragen komt, verandert dat moment niet.
Hoe u erop reageert
Drie regels volstaan, en ze staan alle drie in de wet.
- Vraag op welke gegronde twijfel de eis berust. Bij een verzoek vanaf een bekend adres is die er zelden.
- Bied een lichtere vorm aan die de twijfel wegneemt, en zeg erbij waarom u geen volledig identiteitsbewijs verstrekt.
- Bevestig dat de termijn doorloopt vanaf uw oorspronkelijke verzoek, en noem die datum.
Blijft het antwoord uit, dan is het uitblijven zelf de gebeurtenis die telt.
Waar dit vandaan komt
Artikel 12 lid 3 en lid 6 komen uit de officiële Nederlandse tekst van verordening (EU) 2016/679. Dat een verlenging alleen geldt wanneer de betrokkene daar binnen de eerste maand met redenen over is geïnformeerd, staat in lid 3. Dat wij geen burgerservicenummer en geen onafgeschermde kopie van een identiteitsbewijs verstrekken, is een eigen ontwerpbesluit en staat in de brieven die wij versturen. Stand van zaken op 16 augustus 2026.